Een nieuw schooljaar voelt een beetje als 1 januari. Een frisse start, een nieuwe agenda en vaak ook een hele reeks goede voornemens.
“Dit jaar ga ik écht vroeger beginnen studeren.”
“Ik ga mijn taken niet meer uitstellen.”
“Ik ga elke dag mijn notities bekijken.”
“Mijn gsm leg ik voortaan weg wanneer ik studeer.”
Misschien heb je zulke uitspraken thuis ook al gehoord. En meestal zijn ze oprecht bedoeld. Op dat moment is je kind werkelijk van plan om het anders aan te pakken.
Toch zien we vaak hetzelfde gebeuren. De eerste dagen lukt het nog aardig, maar enkele weken later sluipen oude gewoontes opnieuw binnen. Taken worden toch weer uitgesteld, de gsm ligt opnieuw naast de cursus en dat dagelijkse studiemoment blijkt plots niet zo dagelijks meer.
Betekent dit dat je kind onvoldoende gemotiveerd is? Helemaal niet. Het probleem zit vaak niet in het voornemen zelf, maar in de manier waarop dat voornemen wordt vertaald naar concreet gedrag.
Goede voornemens zijn vaak te vaag
Neem een voornemen zoals:
“Dit jaar ga ik beter plannen.”
Dat klinkt uitstekend. Alleen vertelt het nog niet wat je kind morgen om 17 uur precies moet doen.
Wanneer gaat het plannen?
Waar?
Hoe lang?
Wat moet er precies gepland worden?
Wat als er ondertussen een berichtje binnenkomt?
Wat als je kind moe thuiskomt?
Wat als een vriend vraagt om online te gamen?
Een goed voornemen geeft richting, maar op het moment zelf moet je kind nog altijd beslissen wat het gaat doen. En precies daar loopt het vaak mis.
We overschatten namelijk hoeveel van ons gedrag het gevolg is van bewuste beslissingen. In het dagelijkse leven reageren we voortdurend op situaties, gewoontes, afleiding en verleidingen. Na een lange schooldag wint wat gemakkelijk, aantrekkelijk of vertrouwd is het dan al snel van wat we ons ’s morgens hadden voorgenomen.
Daarom is alleen zeggen wat je wilt veranderen vaak niet voldoende. Het helpt om vooraf ook te bepalen wanneer en hoe je in actie zult komen.
Van “ik wil” naar “als…, dan…”
Een interessante techniek zijn zogenaamde implementation intentions, in het Nederlands vaak vertaald als implementatie-intenties.
Het principe is verrassend eenvoudig.
In plaats van alleen een doel te formuleren:
“Ik wil mijn taken niet meer uitstellen.”
maak je vooraf een concreet plan:
“Als ik om 17 uur thuiskom en iets gegeten heb, dan open ik eerst Smartschool en werk ik 20 minuten aan mijn belangrijkste taak.”
Of:
“Als ik tijdens het studeren mijn gsm wil nemen, dan leg ik hem in de keuken tot mijn studeerblok voorbij is.”
Een implementation intention heeft dus meestal de vorm:
Als situatie X zich voordoet, dan doe ik gedrag Y.
Het belangrijke verschil is dat je niet pas op het moment zelf hoeft te bedenken wat je gaat doen. Je hebt die beslissing vooraf al genomen.
Waarom werkt zo’n als-danplan?
Stel dat een leerling zich voorneemt: “Ik ga vaker mijn leerstof herhalen.”
Elke dag opnieuw moet hij dan bedenken: zal ik vandaag herhalen? Wanneer? Welke leerstof? Eerst nog even iets anders doen?
Met een als-danplan wordt het veel concreter:
“Als ik op dinsdag en donderdag thuiskom van school, dan bekijk ik vóór het avondeten gedurende 15 minuten wat we die dag voor wiskunde hebben gezien.”
Daardoor krijgt een bepaalde situatie — thuiskomen op dinsdag en donderdag — als het ware een signaalfunctie. Ze wordt gekoppeld aan een specifieke actie.
Dat helpt om verschillende redenen.
Ten eerste hoef je minder te onderhandelen met jezelf. De beslissing is vooraf genomen.
Ten tweede wordt het gewenste gedrag gekoppeld aan een duidelijke aanleiding. Het wordt daardoor gemakkelijker om op het juiste moment aan je voornemen te denken.
En ten derde kun je met een als-danplan ook anticiperen op situaties waarin het normaal misloopt. Niet alleen “Wanneer ga ik doen wat ik me voorneem?”, maar ook “Wat doe ik wanneer ik een obstakel tegenkom?”
Bijvoorbeeld:
“Als ik merk dat ik een taak blijf uitstellen omdat ze te groot lijkt, dan werk ik er eerst tien minuten aan.”
“Als vrienden mij berichten sturen terwijl ik studeer, dan antwoord ik pas tijdens mijn pauze.”
“Als ik niet begrijp wat ik moet studeren, dan schrijf ik mijn vraag op en stel ik ze de volgende les aan de leerkracht.”
Dat maakt goede voornemens een stuk robuuster.
Zo kun je dit als ouder samen met je kind aanpakken
De verleiding is soms groot om zelf een hele reeks regels te bedenken.
“Vanaf nu leg je je gsm beneden.”
“Je begint elke dag om zes uur.”
“Je moet je planning beter volgen.”
Maar een plan heeft veel meer kans op slagen wanneer je kind zelf mee nadenkt over wat het wil veranderen en wat haalbaar is.
Je kunt daarbij een aantal vragen stellen.
1. Kies één concreet aandachtspunt
Begin niet met tien goede voornemens tegelijk.
Vraag bijvoorbeeld:
“Wat zou jij dit schooljaar graag anders aanpakken dan vorig jaar?”
Misschien wil je kind minder uitstellen, beter opletten tijdens de les, vaker herhalen of minder afgeleid zijn tijdens het studeren.
Maak daar eerst één prioriteit van.
2. Zoek het moment waarop het meestal misloopt
Goede voornemens mislukken zelden zomaar. Vaak zit er een herkenbaar patroon achter.
Vraag daarom:
“Wanneer lukt dat meestal niet?”
Misschien begint je kind na school aan TikTok en is een uur plots voorbij. Misschien stelt het een moeilijke taak uit. Misschien neemt het de gsm telkens opnieuw vast tijdens het studeren.
Hoe concreter je de situatie kunt benoemen, hoe gemakkelijker je er een als-danplan aan kunt koppelen.
3. Maak samen een als-danplan
Vervolgens kun je vragen:
“Wat zou je op dat moment kunnen doen waardoor de kans groter wordt dat het wél lukt?”
Daaruit ontstaat het plan.
Bijvoorbeeld:
Als ik thuiskom van school, dan kijk ik eerst vijf minuten welke taken ik moet maken voordat ik mijn gsm neem.
Als ik begin te studeren, dan leg ik mijn gsm buiten mijn kamer.
Als ik merk dat ik een taak aan het uitstellen ben, dan zet ik een timer voor tien minuten en begin ik alleen aan de eerste stap.
Als ik op zondagavond mijn schooltas klaarzet, dan bekijk ik meteen ook mijn planning voor de komende week.
Merk op hoe klein en concreet deze acties zijn. Dat is net de bedoeling.
Maak het klein genoeg om te kunnen lukken
Een veelgemaakte fout bij goede voornemens is dat we meteen heel ambitieus worden.
“Ik ga vanaf nu iedere dag twee uur studeren.”
“Ik maak elke zondag een perfecte planning.”
“Ik kijk elke avond al mijn lessen opnieuw na.”
Zo’n plan klinkt indrukwekkend, maar kan moeilijk vol te houden zijn.
Vaak werkt een kleinere afspraak beter:
“Als ik thuiskom, dan kijk ik vijf minuten naar mijn planning.”
Of:
“Als ik een toetsdatum krijg, dan zet ik die dezelfde dag in mijn agenda.”
Een klein gedrag dat consequent wordt uitgevoerd is uiteindelijk waardevoller dan een ambitieus systeem dat na drie dagen wordt opgegeven.
Bovendien kun je een goed werkende gewoonte later altijd uitbreiden.
Gebruik als-danplannen ook voor afleiding
Implementation intentions zijn bijzonder interessant wanneer je kind al weet welke verleiding of hindernis waarschijnlijk zal opduiken.
Stel dat je kind zegt:
“Ik wil mijn gsm minder gebruiken tijdens het studeren.”
Dan kun je samen verder denken.
Wanneer is de verleiding het grootst?
En wat kun je precies doen wanneer ze zich voordoet?
Bijvoorbeeld:
“Als ik aan een studeerblok begin, dan leg ik mijn gsm beneden.”
Of:
“Als ik tijdens het studeren bedenk dat ik iets op mijn gsm wil opzoeken wat niets met school te maken heeft, dan schrijf ik het op een papiertje en kijk ik ernaar tijdens mijn pauze.”
Het doel is niet om elke mogelijke afleiding uit het leven van je kind te bannen. Wel om vooraf na te denken over een slimme reactie op voorspelbare moeilijke momenten.
Van politieagent naar coach
Als ouder kun je een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van zulke strategieën. Maar die rol is bij voorkeur die van coach, niet die van controleur.
Een implementation intention werkt niet omdat mama of papa iedere avond vraagt:
“Heb je je plan uitgevoerd?”
Het werkt vooral wanneer een leerling zelf begrijpt waarom een bepaalde aanpak kan helpen en eigenaar wordt van zijn of haar plan.
Je kunt wel af en toe samen evalueren.
“Je wilde je gsm tijdens het studeren beneden leggen. Hoe is dat deze week gegaan?”
En vooral:
“Wanneer lukte het wel?”
“Wanneer niet?”
“Wat maakte het moeilijk?”
“Moeten we het plan aanpassen?”
Dat laatste is belangrijk. Een plan dat niet werkt, betekent niet automatisch dat je kind gefaald heeft. Misschien was het plan gewoon niet concreet genoeg, te ambitieus of niet aangepast aan de werkelijkheid.
Ook leren bijsturen is leren leren.
Een goed voornemen voor dit schooljaar?
Wanneer je kind de komende weken zegt:
“Dit jaar ga ik echt…”
probeer dan eens niet onmiddellijk te reageren met goede raad.
Vraag in plaats daarvan:
“Oké. En wanneer ga je dat precies doen?”
En daarna:
“Kunnen we daar een als-danplan van maken?”
Want tussen iets willen doen en het daadwerkelijk doen zit een belangrijke stap: vooraf bepalen wat je gaat doen wanneer het moment daar is.
Een klein verschil in formulering, maar mogelijk een groot verschil in gedrag.
Wil je je kind nog beter ondersteunen bij het leren?
Goede studiegewoontes ontwikkelen gaat natuurlijk over veel meer dan goede voornemens alleen. Hoe help je je kind om beter te plannen? Hoe ga je om met uitstelgedrag en afleiding? Welke leerstrategieën werken? En vooral: hoe kun je je kind daarin begeleiden zonder het leerproces volledig over te nemen?
In Leren.Hoe?Zo! voor ouders ontdek je hoe je als ouder je kind kunt ondersteunen om zelfstandiger en effectiever te leren.

Meer informatie over het boek:
https://lerenhoezo.be/product/leren-hoe-zo-voor-ouders/
Wil je liever meteen praktisch aan de slag? Met de Leren.Hoe?Zo! Toolbox krijg je materialen en werkvormen waarmee je samen rond leren leren kunt werken.

Meer informatie over de toolbox:
https://lerenhoezo.be/product/leren-hoe-zo-toolbox/
